Bruiloftsgedichten van Poot door Jacques Moerman
Reeds in de Griekse en Romeinse oudheid was het bruiloftsgedicht bekend. In de Middeleeuwen raakte het in verval, maar met de Renaissance kwam de wederopbloei. J.C. Scaliger beschrijft in zijn Poetica (1561) de eisen waaraan het Latijnse bruiloftsgedicht moest voldoen: de beschrijving van de lusten van bruid en bruidegom, de vrees van de bruid voor de komende “strijd”, die door de bruidegom gewonnen zal worden, de wens voor een spoedig nageslacht en ten slotte een welterusten voor de gasten, maar niet voor het bruidspaar.
Andere vaste onderdelen voor de bruiloftsverzen zijn: de lof voor bruid en bruidegom (hun standvastigheid in de vrijerij, haar schoonheid, hun voorname afkomst), woordspelingen op hun namen, het gebruik van chronogrammen, de huwelijksplaats en de plaats van herkomst van bruid en bruidegom (meestal poëtisch aangegeven met namen als ’t Y, de Maas, de Merwe). Veel voorkomende verwijzingen zijn die naar de god van het huwelijk Hymen, naar de goden van de liefde Venus en Cupido en – voor de inspiratie bij het dichten – naar de muzen. De verzen eindigen vaak met de aansporing de liefde te gaan bedrijven en te zorgen voor nageslacht. Soms is het einde minder aards, maar een zegenbede of een lofbetuiging aan God.
Hubert Korneliszoon Poot (1689-1733) heeft het grootste deel van zijn leven in Abtswoude gewoond. Een belangrijk deel van zijn werk bestaat uit gelegenheidsgedichten, waaronder gedichten op geboorte, verjaardagen, huwelijken en overlijden. Zijn bruiloftsgedichten maken in het algemeen een zeer fatsoenlijke indruk. Hij noemt ze zelf herhaaldelijk “kuisch”. Op nette wijze bezingt hij de lof van bruidegom en bruid, het verlangen van de bruidegom, de aanvankelijke weigerachtigheid, maar dan toch de toestemming van de bruid en de kinderwens, het liefst na negen maanden. Vanaf het begin van de achttiende eeuw werden bruiloftszangen vaak gegoten in de vorm van een herdersdicht, een literair genre dat toen erg in de mode was.
Een voorbeeld van Poot is het gedicht: Adelheit. Herderszang, ter Bruilofte van den Edelen en Achtbaeren Heere Mr. Marten Vlaardingerwoud, Heere van Wyk, Veen, Aelburg, Gendere, Dovere, enz. Oudschepen der stadt Rotterdam; en de Edele Jonghvrouwe Anna van Baerle. Getrout den 6 van Sprokkelmaend, MDCCXXVI. Het begint als volgt:
“In ’t hart van ’t jaersaizoen wiens sneeu- en hagelvlagen
De dau- en regenplaets der zoete zomerdagen
Innemen en bekleên, zat Vrank, niet onvermaert
In Abtswouts boerenbuurt, aen zynen winterhaert;
En nadat hy vooreerst zyn grove vingers warmde,
Terwyl de kooi het vee voor wolf en kou beschermde,
Greep hy, verheugt van zin, zyn riete herdersfluit,
En blies ‘er op zyn wys dees bruiloftsklanken uit:
Ter goeder uure quam den herderen ten ooren,
Dat gy, verliefde WYK, in Pales gunst geboren
En ’s grooten Liefdegodts, zoo ryk van majesteit,
D’ oprechte weêrmin kreegt der goelyke ADELHEIT.
Ter goeder uure quam ’t gerucht hun openbaren,
Dat gy met ADELHEIT voor Venus minaltaeren
Aaneen verbonden zyt, en dat, in dezen staet,
De dagh tot uw geluk in ’t westen ondergaet.
Wat meent gy nu; zou dit den veldeling niet raken?
Zou huis- en akkerman de witte kegeldaken
Niet bly weêrgalmen doen van veinzeloos gequeel,
Nu gy uw’ wensch bereikt int ’t zachte trougestreel?
Wy weten altemael hoe groot en menigvuldigh
Een dankbaerheit de Maes uw achtbaerheit haer schuldigh
Erkent, en hoe de stadt, by dezen vloet gesticht,
Door uw bescheidenheit gebaet wort en verplicht…”
Systematisch is nooit uitgezocht hoe het met opdrachten in de particuliere en publieke sector gesteld is en hoe hoog de beloningen waren die de dichters voor hun werk ontvingen. Behalve geld kregen ze soms ook een gouden of zilveren penning. Over het algemeen hoor je in de teksten van de dichters geen klachten over de last die het voortdurend op bestelling schrijven voor hen betekende. Poot laat zich hierover eenmaal uit, namelijk in de periode dat hij in Delft aan lager wal was geraakt. In een brief, gedateerd ‘Februari 1724’, schrijft hij de opdrachtgever:
“Myn Heer, Dezen uchtent ontfing ik UE. vriendelyk en kunstigh verzoek wegens een bruiloftsgedicht, en sta ‘er ten uitersten mede verlegen. Ik durf, ten aenzien van de onverdiende achting, die UE. myne geringe kunst toedraegt en schriftelyk betoont heeft, geen neen zeggen, en vreeze met het antwoorden van ja, my tot iet ondoenlyx te zullen
verbinden. De last die myne schouders thans genoegsaem als inweegt, verbiedt my, belangende de poëzy, iet vast te beloven; zal echter hierin doen ’t geen my de tyt zal toelaten. Ik blijve, na hartelyke groetenis, Myn Heer, UE. verplichte dienaer Hubert Korneliszoon Poot.
P.S. Gelief aan brenger dezes te zeggen, hoe lang ik nogh tyt zou hebben. Vale.
Opdrachten van hooggeplaatste personen en van bestuurders werden als eervol beschouwd, als erkenning voor het belang dat aan de bijdrage van de dichter werd gehecht. Niet altijd lag het initiatief bij een opdrachtgever. Er zijn aanwijzingen dat dichters ook uit zichzelf tot schrijven kwamen. In de particuliere sfeer lag een vriendendienst voor de hand. Poot kreeg financiële steun van diverse rijke personen, waaronder van de familie Vlaardingerwoud. Hiervoor deed hij graag wat terug, wanneer er iets in de familiekring te vieren viel. Op de bruiloft werd het gedicht – soms door de maker zelf – voorgedragen. In veel gevallen werd het gedicht, en vaak een aantal gedichten van verschillende dichters, als herinnering aan het bruiloftspaar en de gasten meegegeven.
Vermoedelijk hebben ook uitgevers een stimulerende rol gespeeld bij de uitgave van dit genre gedichten. Vaak werden bruiloftsdichten apart of in een katern gedrukt. Een drukker-uitgever kon met de uitgave van een of meer bruiloftsgedichten het een en ander verdienen.
In de expositie over Poot in het Museum Het Tramstation zijn twee voorbeelden opgenomen, namelijk de hiervoor vermelde herderszang Adelheit en het gedicht:
Op het huwelyk van den Weledelen Heer en Meester Willem Vlaardingerwoud, Heer van Noordscherwoude, Hoogheemraedt van ’t Groot Waterschap van Woerden, enz. enz., en Mevrouwe Sofia Vlaardingerwoud, Voltrokken den XVII. Van Zomermaent. MDCCXXXI.
Dit laatste gedicht is opgenomen in een katern van 28 pagina’s met nog vijf huwelijksgedichten, gewijd aan het genoemde echtpaar. Ze zijn achtereenvolgens geschreven door Joannes van Dam, H.K. Poot, Hendrik Schim, Reinier Boitet, C.W. en A. Elzevier. Poot had een bijzondere relatie met Willem Vlaardingerwoud. In zijn tweede Boitetdichtbundel (1728) heeft hij een uitgebreide opdracht aan deze man opgenomen, die hem financieel heeft gesteund. Hij roemt hem met name vanwege zijn rechtskundige arbeid in de Hoge Vierschaar van Delfland, waarvan de dichter als welgeboren man zelf ook deel heeft uitgemaakt. Het bruiloftsgedicht aan Willem Vlaardingerwoud eindigt als volgt:
“Dies, op ’t spel der troucimbaelen,
D’ aeble Vreugt de feest ontgint;
Een reuzin hier, die de zaelen,
Ja al ’t huis te naeu bevint.
Echter gaet ze voort op orden,
Aengezet door gullen lust,
Lust, die nimmer last zal worden,
En de zielen niet ontrust
Laet die blyschap eeuwigh duuren.
Laet de welvaert, vreemt van pyn,
Voor geen’ tyt hier kamers huuren,
Maer oneindigh woonvast zyn.
Dat hier, met te veel gewemels,
Nimmer zorg koom’, droef van aert.
En, o dier geschenk des Hemels,
Wat ’s de vrede niet al waert!
Zegen, zegen kroon’ dit trouwen,
’t Geen in ’t lieven alles tart.
Zoo moet’ dit de Nyt aenschouwen,
Met een’ dootsteek in het hart.
Zoo moet’ NOORDSCHERWOUT, veel jaeren,
Al zyn ampten b’y bekleên;
En SOFIA vruchten baren,
Die ons Neêrlantsch Algemeen
Tot sieraet en glori strekken,
En den voorspoet helpen rekken.”
Gelegenheidsdichters als Poot hadden – zeker wanneer ze in opdracht werkten – een tweeledige taak: Ze moesten namens de gemeenschap spreken bij een bepaalde gelegenheid en tegelijk dienden ze ook diezelfde gemeenschap van de juistheid van hun visie op het gebeuren overtuigen.
Poot is de eerste Nederlandse dichter geweest, die een echt bruiloftsdicht voor zijn eigen huwelijk heeft geschreven, namelijk ‘Op myn huwlyk met Neeltje ’t Hart’. Hij trouwde met haar op 11 mei 1732. Het persoonlijke en subjectieve is in dit gedicht belangrijker dan het algemene en traditionele. Hij schrijft over de gevoelens van verdriet vanwege het lange wachten en over de blijdschap om het einde ervan. Poot heeft bijna tien jaar op haar jawoord moeten wachten. De belangrijkste reden hiervan was, dat hij als dichter een onzeker bestaan had. Hij is korte tijd aan de drank geweest, heeft twijfels gehad over het geloof en leed onder depressieve buien. In het gedicht over zijn huwelijk spreekt hij schuldgevoelens uit over zijn verknoeide leven. Deze bruidegom kon waarlijk niet als wijs en edel voorgesteld worden. Het gedicht op Neeltje ’t Hart telt 88 versregels. Het begint als volgt:
“Op myn huwlyk met Neeltje ‘t Hart
De Hemel is my toegenegen.
‘t Belieft hem eindlyk my een Bruit
Te schenken, naer zyn mild besluit.
Hy kroont myn lange hoop met zegen.
Zyn goedheit maekt my overbly,
En voert myn zinnen spelemeien,
Ja doet myn ziel van vreugde schreien.
O hoe weldadigh is hy my!
Ik, die ‘t voor hem zoo grof verkorven,
Zoo slecht gemaekt heb, jaeren lang,
Bevind my echter in een’ drang
Van weelde, door geen wee bedorven.
’t Ganschvriendelyke bruiloftsbed
Begraeft my in de lieve lusten
Daer ’s werelts bloei en duur op rusten,
En waeraen laster kleeft noch smet.
Hoe dikwyls heb ik Godt gebeden
Om ’t heil, dat my nu valt te beurt!
Hoe dikwyls wiert ik als verscheurt
Van minnezorg en bysterheden!…”
Ruim anderhalf jaar na dit huwelijk stierf Hubert Korneliszoon Poot op Oudejaarsdag 1733.
Tot 13 januari 2007 is elke zaterdag en op zondag 3 december en 7 januari a.s. van 14.00-16.00 uur in het Museum Het Tramstation de expositie te zien: ‘Boerezang valt zoet’. Het leven en werk van de dichter Hubert Korneliszoon Poot (1689-1733).
Schipluiden, november 2006.
